Maaien wie kan!
Het Regionaal Natuurpark levert momenteel een bijdrage aan een onderzoek van het Nationaal Natuurhistorisch Museum om de effectiviteit van 'laat maaien' op de biodiversiteit te beoordelen.
De voordelen van laat maaien
Door het maaien van weilanden uit te stellen tot na de gebruikelijke periode, geeft laat maaien planten- en diersoorten die afhankelijk zijn van grasrijke omgevingen de mogelijkheid hun voortplantingscyclus te voltooien. Dit uitstel bevordert met name de vruchtvorming en de nestbouw van vogels.
In het kader van een nationale studie, gecoördineerd door het Franse Bureau voor Biodiversiteit en de gezamenlijke dienst PatriNat, wordt er over het hele grondgebied monitoring uitgevoerd om de voordelen van deze praktijken beter te kunnen meten. Het park, dat al tussen 2020 en 2024 betrokken was, is geselecteerd om deze monitoring op nieuwe percelen voort te zetten.
Gestructureerde lokale monitoring
Op lokaal niveau wordt de "traditionele" maaidatum geschat op 15 mei. In de Natura 2000-gebieden van de Nizonne-vallei en de bovenloop van de Dronne hebben verschillende boeren zich vrijwillig verbonden tot Agro-Milieu- en Klimaatmaatregelen (MAEC), waardoor de maaidatum is uitgesteld tot 19 of 29 juni.
Om de effectiviteit van dit systeem te beoordelen, worden zes percelen door het park gemonitord van voorjaar 2025 tot 2029. Het doel is om drie weilanden die later gemaaid zijn, te vergelijken met drie andere die niet getroffen zijn. Er is een eerste karakterisering van de locaties uitgevoerd (geologie, topografie, beheergeschiedenis) en gedurende vijf jaar zullen jaarlijks botanische, ornithologische en entomologische onderzoeken worden uitgevoerd om de staat van de biodiversiteit te beoordelen.
Tegelijkertijd zullen de teams van het park tussen half mei en begin juli vier rondes uitvoeren om de daadwerkelijke maaidata binnen een straal van één kilometer rond de zes onderzochte percelen te registreren. Deze gegevens zullen helpen om de verkregen resultaten beter te contextualiseren, rekening houdend met de directe omgeving.
Eerste observaties
Tijdens dit eerste jaar van monitoring werden twee opmerkelijke vlindersoorten waargenomen in weilanden die baat hadden bij laat maaien. De grote parelmoervlinder en de moeraskopvlinder, beide beschermd, zijn soorten die voorkomen in natte weilanden met een gevarieerde flora. Aangezien laat maaien een van de factoren is die de floristische diversiteit van percelen bevordert, lijkt de aanwezigheid van deze soorten het nut van de aanpak te bevestigen. Betrouwbare conclusies zullen echter moeten wachten tot het einde van het onderzoek.
Medio juni was slechts een kwart van de gemonitorde weilanden op de bovenloop van de Dronne gemaaid. Hoewel de regenval in mei deze relatief lage maaifrequentie kan verklaren, zal alleen voortdurende monitoring gedurende meerdere jaren voldoende perspectief bieden om dit te beoordelen.
Lokale observaties zullen de nationale gegevens verrijken en bijdragen aan een beter begrip van de effecten van laat maaien. Uiteindelijk zouden de resultaten een bredere toepassing van deze biodiversiteitsvriendelijke methoden kunnen stimuleren.